Eind maart verzamelden duizenden mensen langs het parcours dat de Mercator zou afleggen om terug te keren naar zijn vertrouwde plaats voor het stadhuis van Oostende. Tijdens de renovatiewerken kon ik meerdere malen langsgaan op de scheepswerf en het schip heeft me geraakt. Of misschien waren het wel de mensen die met zoveel passie meewerkten aan het schip die me geraakt hebben.

Ik ben vier maanden na de terugkomst nog eens op bezoek geweest. Wat bleek immers, dat ook na de renovatiewerken 16 vrijwilligers gebleven zijn om verder hun geliefde schip te onderhouden. Ze waren begin dit jaar ingegaan op een oproep van de stad. Ze zochten vrijwilligers om de binnenkant van het schip bezoekersklaar te krijgen. Dat deel van de werken was immers niet meegerekend en de centen waren op. Wekenlang werkten ze verder. Tijdens de eerste rondleiding keken ze nog wat onwennig rond, maar tegen dat het schip bijna klaar was zag je al een groep ontstaan. Die vriendschap heeft er ook voor gezorgd dat die vrijwilligers nog altijd twee dagen per week terugkomen naar hun Mercator. Om met veel goesting, passie en humor aan hun schip te werken. “Voel eens wat een babyvelletje”, vraagt Johan. Hij schuurt een trapje af om het later opnieuw zeven lagen vernis te kunnen geven. Walter, die toont terecht trots een tralie die aan de koekoek of een lichtkoepel hangt. Van een verroest ding toverde Walter terug een mooi rooster tevoorschijn. Je moet het ze toegeven, ze hebben veel geduld, die mannen.
Omdat er ook in de machinekamer gewerkt wordt aan een nieuwe houten vloer mogen we afdalen in de catacomben van het schip. Daar staat een prachtige machine klaar om één keer per maand terug te draaien. Ik ken niets van techniek, maar toch, wat een prachtding. Ik had er destijds niet graag willen werken, maar dit zijn de dagen waarop ik blij ben met mijn job. Ik schrijf geen grote wereldverhalen, maar ik krijg wel (bijna) elke dag de kans om op plaatsen te komen waar de gewone bezoeker niet mag komen.
